U bent hier: Home / Documentatie / FAQ

FAQ

Deze pagina bevat de antwoorden op een aantal veel gestelde vragen gerelateerd aan de fijnstof en ozonvervuiling in de atmosfeer. Deze lijst is niet exhaustief, en zal in de toekomst vaak aangevuld worden. Indien u een vraag heeft die u niet terugvindt in deze lijst, of indien u bijkomende informatie wenst, aarzel niet om ons te contacteren via smog@irceline.be.
Toon of verberg het antwoordNieuwWat is ozon?

Ozon is een sterk reactieve, onstabiele verbinding van drie zuurstofatomen. Het woord komt van het Griekse ozein, dat ruiken betekent. Niet zonder reden, want het gas heeft een typische geur die je soms kan ruiken in slecht geventileerde plaatsen met veel (oude) kopieermachines of na een onweer met veel bliksems. De chemische formule is O3.

Ozon in de ozonlaag (in de stratosfeer op een hoogte van 15 tot 45 km) beschermt het aardoppervlak tegen de schadelijke UV-stralen van de zon.

Ozon in de onderste luchtlagen (de troposfeer) op leefniveau ontstaat door de inwerking van zonlicht (UV, Ultra Violet licht) op warme dagen op lucht verontreinigd met stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen.

Toon of verberg het antwoordOp welke dagen is er teveel ozon?

Er moeten een aantal voorwaarden vervuld zijn vooraleer er in onderste luchtlagen (op leefniveau) teveel ozon voorkomt :

  • het moet zonnig zijn (veel UV licht).  Wolken houden de UV straling van de zon (in grote mate) tegen.
  • het moet voldoende warm zijn (>25 °C).
  • wind komende uit continentale windrichtingen (O, ZO, Z) met lage windsnelheden.
  • er moeten genoeg stikstofoxiden (NOx) en vluchtige organische stoffen (VOS) in de lucht aanwezig zijn en dit in de juiste verhoudingen.

De (vereenvoudigde) chemische reactie van ozonvorming vind je terug in antwoord bij een andere vraag.
Hierbij dient wel worden vermeld dat één dag zonnig en warm weer meestal geen overschrijding van de ozon drempelwaarde tot gevolg heeft. Een langere zomerse periode is (meestal) noodzakelijk.

Teveel ozon ("ozonsmog") komt op leefniveau in ons land dus enkel voor in de maanden mei, juni, juli en augustus en uitzonderlijk ook einde april of begin september in periodes met een hogedruk gebied gesitueerd boven het Europese vasteland met oostelijke tot zuid-oostelijke luchtstromingen richting West-Europa.

Een overzicht van het aantal "ozondagen" (dag waarop in België minstens één overschrijding werd gemeten van de EU-drempelwaarde (180 µg/m³) voor het inlichten van de bevolking) in België vind je hier.

Onder speciale meteorologische omstandigheden kan het gebeuren dat er intrusie (binnendringing) is van ozon uit de vrije troposfeer of zelfs de stratosfeer naar de lagere luchtlagen. Dit kan uitzonderlijk (laatst voorgevallen in België op 5, 6 en 7 mei 1995) zelfs overschrijding van de drempelwaarde veroorzaken. Dit wordt ook wel eens "spring ozone" (lente ozon) genoemd. Ook krachtige voor- of najaarsstormen met grote neerwaartse luchtbewegingen kunnen zorgen voor verhoogde ozoncentraties aan de grond.

Toon of verberg het antwoordNieuwIk dacht dat er een ozongat is en dus te weinig ozon ?

Het ozongat, is de jaarlijkse terugkerende vermindering van de dikte van de ozonlaag boven de zuidpool in de maanden oktober - november (de zuidpool lente). Zoals in het antwoord op de eerste vraag reeds gesteld is, bestaat er op grote hoogte in de stratosfeer de ozonlaag. Deze "goede" ozon beschermt ons tegen de schadelijke UV straling van de zon. Zonder deze ozon zou leven op aarde trouwens onmogelijk zijn. De "slechte" ozon in de onderste luchtlagen die we dus kunnen inademen kan schadelijke gevolgen hebben (zieeen volgende vraag). De "goede" ozon in de ozonlaag is chemisch dezelfde als de"slechte" ozon op leefniveau, maar de chemische reacties die zorgen voor ozonvorming in de ozonlaag zijn verschillend van de reacties die ozon vormen in de onderste luchtlagen.

Bepaalde chemische stoffen zoals CFK's (Chloor-fluor koolwaterstoffen), Broomverbindingen, ... kunnen de reacties die zorgen voor ozonvorming in de ozonlaag verstoren, waardoor de concentratie ozon in de ozonlaag zal afnemen (of met andere woorden de ozonlaag zal dunner worden). Omwille van geografische en klimatologische redenen is deze afname het spectaculairst boven de zuidpool.

Ozonafbrekende stoffen werden veelvuldig gebruikt in de chemische industrie, als koelmiddel, als ontsmettingsmiddel in de landbouw en zijn zeer stabiele chemische verbindingen waardoor ze lange tijd in de atmosfeer kunnen blijven bestaan. Het kan tot 50 jaar duren vooraleer ze in de stratosfeer terechtkomen en uiteindelijk afgebroken worden. De meeste van die ozonafbrekende stoffen zijn ondertussen verboden, maar het kan dus omwille van hun lange levensduur nog vele jaren duren vooraleer de ozonlaag terug z'n oorspronkelijke dikte bereikt.

De ozon gegevens die gepubliceerd worden op onze website zijn gegevens over ozon in de onderste luchtlagen (de "slechte" ozon). Gegevens over stratosferische "goede" ozon vind je op de website van het KMI.

Meer info over het ozongat vind je terug op het internet. Hier alvast een aantal interessante links:

http://www.knmi.nl/voorl/nader/ozongat.htm
http://www.oma.be/BIRA-IASB/Public/Research/Strato/OzoneHole1.nl.html

Toon of verberg het antwoordNieuwKunnen we het teveel aan ozon aan de grond niet gebruiken om het ozongat te dichten ?

Ozon is een heel onstabiele en reactieve verbinding. Ozon kan je bijvoorbeeld niet opslaan in flessen omdat het direct de wanden van de fles zou oxideren. Hier duikt dus al een eerste probleem op : hoe ga je het opslaan ? Bovendien is er tijdens een periode met teveel ozon (ozonsmog episode) ook niet gans de dag teveel ozon. Ozonconcentraties zullen in de loop van de dag stijgen met een maximum in de late namiddag, maar kunnen 's nachts gevoelig afnemen (tot bijna 0).
Als je de totale hoeveelheid ozon bekijkt dan is de hoeveelheid ozon in de onderste luchtlagen slechts een fractie van de hoeveelheid in de ozonlaag (minder dan 10 %). Moest het al technisch mogelijk zijn (en dat is het dus helemaal niet) dan zou het transport van ozon naar de ozonlaag slechts een druppel op een hete plaat zijn. De vorming van ozon in de ozonlaag is trouwens een proces van vorming en afbraak. Dagelijks worden miljoenen tonnen ozon in de stratosfeer (waardoor de ozonlaag gevormd wordt) aangemaakt.

Verhinderen dat de ozonlaag verder verdund wordt kan dus enkel door het gebruik van ozonafbrekende stoffen te reguleren.

Toon of verberg het antwoordWelke gezondheidseffecten veroorzaken te hoge ozon waarden ?

Door zijn sterk oxiderend vermogen kan ozon een aantal gezondheidseffecten veroorzaken, afhankelijk van de concentratie in de omgevingslucht, de blootstellingsduur, de gevoeligheid van de blootgestelde personen en hun activiteit. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de voornaamste gezondheidseffecten bij kortdurende blootstelling :

 

milde respons
max 1 uur ozonconcentratie :180-240 µg/m3
gemiddelde longfunctieverminderinga <5%, bij gevoeligen <10%
incidentele oogirritatie (onafhankelijk van lichamelijke inspanning)
incidentele luchtwegsymptomen als hoest bij gevoeligen
matige respons
max 1 uur ozonconcentratie : 240-360 µg/m3
gemiddelde longfunctieverminderinga 5-15%, bij gevoeligen 10-30%
irritatie van ogen, neus en keel (onafhankelijk van lichamelijke inspanning)
luchtwegsymptomen als hoest, pijn op de borst, kortademigheid bij gevoeligen
toename ernst en frequentie van symptomen bij personen met CARAb
ernstige respons
max 1 uur ozonconcentratie : > 360 µg/m3
gemiddelde longfunctieverminderinga >15%, bij gevoeligen >30%
ernstige luchtwegsymptomen als aanhoudende hoest, pijn op de borst, kortademigheid
mogelijk gevoelens van onbehagen, benauwdheid, hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid bij gevoeligen
sterke toename ernst en frequentie van symptomen bij personen met CARAb

a mogelijk gepaard gaande met ontstekingsreacties, toegenomen hyperactiviteit van de luchtwegen en verandering in de longklaring.
b Chronische Aspecifieke Respiratorische Aandoeningen

Ozon kan verschillende gezondheidsklachten waaronder longfunctieveranderingen uitlokken. De andere stoffen uit de "zomersmog cocktail" veroorzaken prikkende ogen, hoesten en irritatie van de slijmvliezen. Het optreden van deze symptomen is afhankelijk van verschillende factoren :

  • de ozonconcentratie, nl. hoe hoger de concentratie, hoe meer mensen klachten zullen vertonen en hoe ernstiger de klachten zullen zijn. Er kan echter niet precies aangegeven worden  vanaf welke concentraties welke effecten te verwachten zijn.
  • de individuele gevoeligheid: personen met aandoeningen van de luchtwegen zullen sneller een effect waarnemen dan personen met een normale longfunctie. Ook kinderen zullen gevoeliger zijn. Bovendien bestaat er een zogenaamde groep "responders" (zowat 10% van de bevolking) die om onduidelijke redenen extra gevoelig zijn voor ozonepisodes.
  • de geleverde inspanning: bij het leveren van intensieve inspanningen in de buitenlucht zal de ademhaling versnellen en zal er per seconde meer lucht de longen passeren. In vergelijking met een persoon in rust houdt dit een grotere blootstelling aan ozon in en dus meer kans op effect.


De Europese informatiedrempel van 180 µg/m³ voor informatie van de bevolking mag dus niet gezien worden als een effectdrempelwaarde waaronder helemaal niemand welk effect dan ook zou kunnen ondervinden. De WGO (in 1990) stelt dat de effecten bij concentraties lager dan 200 µg/m³ echter beperkt zijn in ernst, en slechts voorkomen bij minder dan 5% van de totale bevolking. Op lagere concentratieniveau’s de volledige bevolking waarschuwen is om bovengenoemde reden niet aangewezen.

Het gaat hier dus om een glijdende schaal en ietwat kunstmatig kan er van een milde respons gesproken worden bij (uurgemiddelde) concentraties van 180-240 µg/m³, een matige respons bij 240-360 µg/m³ en een ernstige respons boven de 360 µg/m³.

Een aantal voorzorgsmaatregelen kan de effecten beperken. Uit hetgeen voorafgaat is het duidelijk dat de effecten van ozonepisodes vermeden of beperkt kunnen worden door tijdens de middag of de vroege avond (12-20 uur) zware inspanningen buitenshuis te vermijden. Deze maatregelen dienen genomen te worden door mensen met een individuele gevoeligheid van de luchtwegen en kinderen vanaf 180 µg/m³. Vanaf 240 µg/m³ dient dan de ganse bevolking deze voorzorgsmaatregelen te volgen. Indien er desondanks toch nog gezondheidsklachten optreden is het natuurlijk nuttig en aangewezen de huisarts te raadplegen, die het best op de hoogte is van de persoonlijke gezondheidstoestand van de patiënt en dus het best geplaatst om bijkomend persoonlijk advies te verstrekken.

Toon of verberg het antwoordNieuwWelke maatregelen kan ik nemen om me te beschermen tegen hoge ozonconcentraties ?

De hoogste ozonconcentraties worden tijdens de namiddag of de vroege avond (12-20 uur) gemeten. Omdat het ingeademde volume lucht tot 20x hoger kan zijn tijdens het leveren van fysieke inspanningen (en dus ook de hoeveelheid ozon) wordt aangeraden om zware inspanningen (zoals bijvoorbeeld joggen) tussen 12 en 20 uur buitenshuis te vermijden. Omdat de ozonconcentraties binnenshuis (zie antwoord op volgende vraag) beduidend lager zijn wordt aan gevoelige personen de raad gegeven binnen te blijven tijdens een ozon "smog" episode.

Toon of verberg het antwoordWaarom zijn de ozonconcentraties hoger op het platteland dan in de steden ?

Ozon is een "secundaire" polluent wat wil zeggen dat het niet rechtstreeks wordt uitgestoten door het verkeer, industrie, ... maar het wordt gevormd op warme zomerdagen door de inwerking van zonlicht op een cocktail van vervuilende stoffen. Deze ozon"precursoren" of voorlopers van ozon zijn stikstofoxiden (NOx) en vluchtige organische stoffen (VOS). Het verkeer is de grootste (+50%) leverancier van de componenten waaruit ozon gevormd wordt.
Het klinkt misschien eigenaardig maar het is zo dat er op het platteland meestal meer ozonvervuiling is dan in de steden. Dit wordt ook wel eens de "ozonparadox" genoemd. Ozon kan immers terug wegreageren (ozon wordt afgebroken) met de stoffen (NOx) waaruit het ontstaat. Dit wegreageren gebeurt meer in de steden dan op het platteland omdat er in de steden meer NO is (zie verder).
In de steden is er daarom niet minder luchtvervuiling (er zijn andere luchtvervuilende stoffen aanwezig waarbij de concentratie van deze stoffen hoger is dan op het platteland), maar er is wel minder ozon. Er is dus geen lineair verband tussen de hoeveelheid stoffen die oorzaak zijn van ozon, en de hoeveelheid ozon zelf. Een vermindering van de veroorzakers van ozon kan zelfs leiden tot een vermeerdering van ozon zelf. Dit zien we ook tijdens het weekend : tijdens het weekend is er minder verkeer, maar dikwijls meer ozon (de gevormde ozon wordt minder afgebroken omdat er minder "vervuiling" is). In de wetenschappelijke wereld wordt dat het "weekendeffect" genoemd. Heel het ozonvormingsproces is dus een ingewikkeld verhaal.

Om te verklaren waarom er op het platteland meestal meer ozon is dan in de steden, is enige uitleg nodig omtrent de scheikundige basisreacties die zorgen voor ozonvorming. Die reacties kunnen we(vereenvoudigd) als volgt voorstellen:

het is niet één (foto)chemische reactie die ozon vormt, het is een reeks van tientallen reacties maar de globale reactie kunnen we wel als volgt samenvatten :

NO2 + O2 (+UV-licht van de zon, + warmte) --> NO + O3
in mensentaal : stikstofdioxide + zuurstof reageren tot stikstofmonoxide + ozon. Deze reactie gaat sneller als het warmer is en bij meer UV-licht.

Dit is een evenwichtsreactie, wat wil zeggen dat de reactie ook omgekeerd werkt (waarbij ozon terug afgebroken) wordt : NO + O3 --> NO2 + O2.

Nu is er een wet in de scheikunde die zegt dat het evenwicht zich zal trachten te herstellen wanneer het verstoord wordt. Hier komen nu de VOS op de proppen : deze gaan reageren met de NO waarbij  terug NO2 gevormd wordt.  De NO concentratie daalt (want reageert met de VOS). Het evenwicht zal dit trachten te herstellen, dus de reactie zal meer NO vormen volgens bovenstaande wet: verschuiving van het evenwicht naar de kant van NO. Meer NO proberen te vormen is echter ook meer O3 (ozon) .... Bovendien wordt terug NO2 gevormd die opnieuw ozon kan vormen waardoor de ozonconcentratie verder kan stijgen.

Als je dan nog weet dat in de uitlaatgassen van wagens veel NO zit en dat NO een zeer korte levensduur heeft (enkele minuten) en direct omgezet ("geoxideerd") wordt tot NO2 wat een grote levensduur in de atmosfeer heeft, van enkele uren tot zelfs dagen waardoor het van de stad via de wind naar het platteland kan en waardoor het over grote afstanden kan getransporteerd worden, dan begrijp je dat er in de steden minder ozon is dan op het platteland.
Samenvattend:
- in de steden is er door het wegverkeer veel NO waardoor de ozon wegreageert tot NO2
- NO2 vormt ozon op het platteland (als het warm en zonnig is) maar er is veel minder NO (want minder verkeer) en er is dus minder afbraak.

Bovenstaande verklaart ook waarom korte termijnmaatregelen (bijvoorbeeld het stilleggen van het verkeer) een omgekeerd effect kunnen hebben op de ozonvervuiling. Minder verkeer betekent minder NO, dus minder ozonafbraak. Verkeersmaatregelen treffen op het moment van een ozonpiek heeft dus weinig zin. Je zou al verschillende dagen (4 à 5 dagen) voor een ozonpiek (verkeers)maatregelen moeten treffen. Ozonsmog episodes zo vroeg van tevoren voorspellen is echter niet makkelijk. Een goede ozonvoorspelling maken hangt af van correcte weersvoorspellingen en die zijn niet altijd even accuraat. Nu het verkeer drastisch (zie verder) beperken om dan binnen 5 dagen vast te stellen dat het toch niet warm en zonnig is (met kans op ozonvervuiling) is dan ook niet evident.
En dan nog is kans op succes niet verzekerd. Een groot deel van de emissies die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van ozon in Belgïe worden aangevoerd uit het buitenland.  Volgens een studie van de VITO zullen tijdelijke maatregelen gedurende 3 zomermaanden met als bedoeling het aantal overschrijdingen van een uurlijkse ozonconcentratie van 240 µg/m³ te beperken, de ozon piekconcentraties ten hoogste met 5% verminderen.
Korte termijnmaatregelen hebben uiteraard wel een sensibiliserend karakter (ze laten de automobilist voelen dat hij medeveroorzaker is van de ozonvervuiling) en zullen de algemene luchtkwaliteit in de steden verbeteren, maar hebben (zoals boven uitgelegd) geen direct effect op de ozonconcentraties (wel in tegendeel).

Ozonvoorspellingskaartjes voor vandaag, morgen en overmorgen vind je op onze website in de rubriek ozon voorspelling

De voorspelling voor vandaag heeft een kans van ongeveer 75 % dat ze juist is, die voor morgen en overmorgen hebben een kleinere kans.

Ingewikkelde computermodellen leren ons dat ozonvervuiling enkel kan verminderen als:
1. je drastisch de uitstoot van ozonvormende stoffen beperkt (met 60 - 70 %) !
2. dit niet enkel in België gebeurt maar in gans Europa !
3. maatregelen niet enkel op het moment van een ozonsmog episode genomen worden maar het ganse jaar door!

Er zijn op Europees vlak al een hele reeks maatregelen genomen en er zitten nog een hele reeks maatregelen in de pipe-line, maar het duurt een tijd (verschillende jaren) vooraleer deze maatregelen zullen resulteren in een verminderen van de ozonvervuiling. Een belangrijke maatregel in dit verband is de Europese NEC richtlijn uit 2001, die aan elk land van de EU opgelegt hoeveel kiloton NOx en VOS nog mogen uitgestoten worden vanaf 2010. Deze richtlijn heeft reeds voor een gevoelige verbetering gezorgd van de ozonproblematiek. Het aantal ozonpieken en de ernst en de duur ervan is nu, bij vergelijkbare meteorologische omstandigheden, gevoelig lager dan in de jaren '90. Momenteel zijn er op het EU niveau onderhandelingen bezig die zal resulteren in een nieuwe NEC richtlijn met strengere emissieplafonds tegen 2020, 2025 en 2030.

Toon of verberg het antwoordNieuwIs er binnenshuis ook ozon ?

Zoals reeds in een bovenstaand antwoord gesteld is, is ozon een heel onstabiele en reactieve verbinding. Indien het via de buitenlucht in de huiskamer binnenkomt zal het reageren met alle materialen waarmee het in aanraking komt. De concentratie ozon zal hierdoor dalen tot ongeveer de helft van die in de buitenlucht. Omdat de hoogste ozonconcentraties (buiten) gemeten worden tussen 12 en 22 uur, kan er tijdens ozonsmog episodes het best verlucht worden voor 12 en na 22 uur.

In slecht verluchte ruimtes waar veel (oude) kopieertoestellen en (of) laserprinters werkzaam zijn kunnen sterk verhoogde ozonconcentraties gemeten worden. De laatste generatie laserprinters en fotokopieer apparaten bezitten “ozonfilters” die de gevormde ozon afbreken en de restemissie tot een minimum beperken.

In het koninklijk besluit “tot wijziging van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming wat de vaststelling van de grenswaarden voor blootstelling van chemische agentia betreft” van 11 april 1995 (BS. 14/6/1995, blz 17055), is als maximum blootstellingswaarde voor ozon in werkomgeving 200 µg/m³ (als 8 uur gemiddelde) voorzien.

Toon of verberg het antwoordNieuwWat kan ik zelf doen om hoge ozonconcentraties te voorkomen ?

Zoals reeds in antwoord op een bovenstaande vraag gesteld, leren ingewikkelde computermodellen ons dat ozonvervuiling enkel zal afnemen wanneer:
1. de uitstoot van ozonvormende stoffen drastisch beperkt wordt (met 60 - 70%)!
2. die maatregelen niet enkel in België maar in gans Europa genomen worden!
3. er niet enkel maatregelen genomen worden op het moment van een ozonsmog episode maar gedurende het ganse jaar!

Iedereen kan hier z'n steentje toe bijdragen door bijvoorbeeld:
- minder verplaatsingen met de wagen te doen en meer het openbaar vervoer te gebruiken.
- korte verplaatsingen te voet of met de fiets af te leggen.
- zich aan de snelheidsbeperkingen te houden en "sportief" rijgedrag (snel optrekken, hoge toerentallen) te vermijden. Meer info en tips over rijgedrag vindt u op Het nieuwe rijden en op de ROB website.
- Bij de aankoop van een nieuwe wagen de "milieuvriendelijkheid" hiervan in acht nemen : meer info op de VITO website : http://www.ecoscore.be/
- zo weinig mogelijk solventhoudende verven te gebruiken, maar te kiezen voor verven op waterbasis.
- een zo zuinig mogelijke verwarmingsinstallatie met hoogrendement te kiezen.

Toon of verberg het antwoordNieuwIs ozon enkel schadelijk voor de mens ?

Neen. Ozonvervuiling heeft ook gevolgen voor de natuur en de economie. Onder kortstondige blootstelling aan hoge ozonconcentraties verschijnt op sommige planten een zichtbare bladschade. Maar ozon heeft ook een cumulatief schadelijke inwerking op gewassen in de vorm van verminderde groei en stressbestendigheid. De aantasting door ozon verergert bij verhoogde opening van de huidmondjes bij planten door bijvoorbeeld verhoogde lucht- en bodemvochtigheid. Bij blootstelling aan hoge ozonconcentraties zal de opbrengst van onder andere graan verminderen. Tijdens "normale" zomers ligt de potentiële opbrengstvermindering van graangewassen in Belgie rond de 5%. Dit kan in "warme" zomers oplopen tot bijna 20%.

Door zijn hoge reactiviteit werkt ozon ook in op de oppervlakte van materialen zoals bijvoorbeeld sommige plastics en verven, wat verkleuring kan veroorzaken.

Toon of verberg het antwoordZijn we op de goede weg of verslechtert het ozonprobleem ?

Het antwoord op deze vraag is niet éénduidig te beantwoorden en hangt af van de toestandsindicator die gehanteerd wordt, dwz. van de parameter die gebruikt wordt om de evolutie van de toestand te bekijken.

Voor de bescherming van de volksgezondheid wordt de parameter 'hoogste 8-uursgemiddelde van een dag' gehanteerd. Als lange termijndoelstelling (LTD) wordt vastgelegd dat deze parameter op geen enkele dag nog boven 120 µg/m³ mag uitstijgen. Als tussenstap is voorzien dat vanaf het jaar 2010, gemiddeld over 3 jaar, de LTD nog slechts 25 dagen per kalenderjaar mag worden overschreden.

Met behulp van deze parameter kan als “piekindicator” het overschot boven 120 µg/m³ van het hoogste 8-uursgemiddelde per dag opgeteld over alle dagen van een kalenderjaar (AOT60ppb-max8u) gedefinieerd worden. Als “gemiddelde” indicator kunnen we het gemiddelde over een jaar van alle gemeten ozonconcentraties beschouwen (jaargemiddelde).
Nemen we als indicator de piekindicator dan blijkt uit analyse van de ozonmetingen dat (omwille van de dalende emissies van ozonprecursoren in Europa) de grootte en het aantal ozon piekconcentraties sedert midden de jaren 90 (bij vergelijkbare zomers) daalt (klik hier om het verloop van de AOT60ppb-max8u indicator te bekijken).

Bekijken we echter de gemiddelde indicator (bijvoorbeeld jaargemiddelde ozonconcentratie) dan wordt een ongunstig stijgende trend waargenomen, wat wijst op een toenemende achtergrondconcentratie. Het feit dat achtergrondwaarden stijgen heeft enerzijds te maken met de globale stijging in het noordelijk halfrond van de uitstoot van ozonprecursoren en anderzijds met een verminderde ozonafbraak wegens reeds ingevoerde lokale NOx-reducties waardoor, althans in onze streken, de ozonniveaus in eerste instantie kunnen toenemen.

Toon of verberg het antwoordNieuwWat is PM10 en PM2,5?

Naast gasvormige polluenten kan de omgevingslucht ook vervuild worden door deeltjes. Deze deeltjes (in suspensie, vloeibaar of vast), een uiteenlopende samenstelling en afmeting, worden soms ook "aërosolen" genoemd. Ze worden dikwijls onder de noemer “zwevend stof” gecatalogeerd en ze worden vaak aangeduid als PM (een afkorting van het Engels “Particulate Matter”).

Dit zwevende stof wordt meestal ingedeeld aan de hand van de 'aerodynamische diameter'. De aerodynamische diameter van een stofdeeltje is de diameter van ene bolvormig deeltje dat in de omgevingslucht hetzelfde gedrag vertoont als een stofdeeltje (dat niet noodzakelijk een bolvorm heeft). In het kader van de luchtkwaliteitsproblematiek is vooral het fijn stof van belang.

Fijn stof zoals PM10, PM2,5, PM1 en PM0,1 definieert men als een fractie van deeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan respectievelijk 10, 2,5, 1, 0,1 µm (ter info: 1µm = 1 miljoenste van een meter of 1 duizendste van een millimeter).Ter vergelijking, de gemiddelde diameter van een menselijk haar is 50-70 µm (zie onderstaande figuur).

PMsize1

Grotere deeltjes worden snel nadat ze in de atmosfeer terechtgekomen zijn, door de zwaartekracht neergehaald op de grond of uitgespoeld door regen. De fijnere deeltjes kunnen langer (enkele dagen tot weken) in de atmosfeer blijven. Bijgevolg kunnen deze fijnere deeltjes getransporteerd worden over langere afstanden. Door de langere verblijf tijd in de atmosfeer kunnen de samenstellingen en de eigenschappen van de deeltjes wijzigen door fysico-chemische processen.

fijn stof naast de straat

Bron: C. Trimbacher Umweltbundesamt Wien

Deze foto is een elektronenmicroscopische opname van fijn stof op een filter die geplaatst werd in de buurt van een straat. Dieselroet (de kleine grijze bolletjes) overheerst op deze filter. De lichblauwe bolletjes zijn deeltjes van verbrandingsprocessen, de roze deeltjes zijn mineralen en de groene blokjes zijn zouten.

Toon of verberg het antwoordNieuwHoe ontstaat fijn stof?

Fijn stof bestaat uit primaire en secundaire deeltjes. Het onderscheid tussen primaire en secundaire deeltjes wordt gemaakt op basis van de manier waarop ze gevormd worden.

De primaire deeltjes worden rechtstreeks in de atmosfeer uitgestoten en kunnen vast of vloeibaar zijn. Het kunnen bijvoorbeeld minerale deeltjes zijn afkomstig van bodemerosie, woestijnzand, vulkanische as, etc. Ook roetdeeltjes afkomstig van de verwarming van huizen of deeltjes uitgestoten door het verkeer kunnen rechtstreeks uit de uitlaat komen of ontstaan bij slijtage van banden of bij het remmen. Ook deeltjes die door het verkeer opnieuw in suspensie gebracht worden (dit is stof dat op straat ligt en terug wordt opgewaaid) behoren tot deze primaire fractie.

Secundaire deeltjes ontstaan in de atmosfeer door chemische reacties uit gasvormige voorloperverbindingen (precursoren) zoals ammoniak (NH3), zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) of organische verbindingen. Uit deze gassen of de reactieproducten ervan kunnen aerosolen gevormd worden door de vorming van nieuwe deeltjes (nucleatie) of door zich te hechten aan reeds bestaande deeltjes (coagulatie). Uit onderzoek van de VMM blijkt dat de secundaire anorganische (SIA) fractie ongeveer 40% bijdraagt aan de totale massa van PM10 in Vlaanderen. SIA is het secundair fijn stof dat gevormd wordt uit NH3, SO2 en NOx. Meer info over de samenstelling van het fijn stof vindt u hier (CHEMKAR rapport).

 

Toon of verberg het antwoordWaaruit is fijn stof samengesteld?

De chemische samenstelling van de stofdeeltjes vertoont een zeer variabiliteit die afhankelijk is van de aard en de nabijheid van de emissiebronnen, en van de transformaties die de deeltjes in de atmosfeer kunnen ondergaan.

Uit de Chemkar PM101 studie blijkt dat de 'gemiddelde' chemische samenstelling in Vlaanderen van PM10 bestaat uit 40% secundaire anorganische ionen zoals nitraat, sulfaat en ammonium. Dit secundair anorganisch fijn stof wordt vooral veroorzaakt door de uitstoot van de transport- , industrie- en landbouwsector. De organische massa (dioxines, alkanen, PAK's,...) die 20% uitmaakt van de totale massa fijn stof is een complexe groep die bestaat uit zowel primair als secundair fijn stof. Er wordt aangenomen dat o.a. de verbrandingsprocessen een belangrijke rol spelen bij de vorming van deze organische fractie. 

Het aandeel bodemstof (14%) is afkomstig van opwaaiend bodemstof. Dit bodemstof kan ontstaan door het bewerken van akkers maar kan ook straatstof zijn dat door het verkeer terug wordt opgewaaid ("resuspensie"). Het betreft hier eerder de grove fractie van PM10.

Zeezout (8%) ontstaat bij verdamping van opstuivende zeewaterdruppels en heeft een gelijkaardige samenstelling als zeewater. Elementair koolstof (4%) is een maat voor roet afkomstig van verbranding van fossiele brandstoffen en biomassa. Het (diesel)wegverkeer is vermoedelijk de belangrijkste bron voor deze component. Er zijn verschillende aanwijzingen dat deze fractie van het fijn stof behoort tot de meest schadelijke voor de volksgezondheid.

Samenstelling Fijn Stof

1Bron: Chemkar VMM (2009), Chemkar PM10: Chemische karakterisatie van fijn stof in Vlaanderen, 2006-2007.

Toon of verberg het antwoordNieuwWat zijn de oorzaken van fijnstof?

Fijn-stof-deeltjes kunnen zowel van antropogene (door de mens veroorzaakt) als van natuurlijke bronnen komen. Vulkaanuitbarstingen, bodemerosie, zeezout of de aanvoer van woestijnzand kunnen natuurlijke bronnen van fijn stof zijn. Ook pollen (van plantaardige oorsprong) kunnen een component van fijn stof zijn.

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de emissies en de concentraties (soms ook immissies genoemd) van fijn stof. Met emissies (uitgedrukt in bv. tonnen per jaar) wordt de uitstoot van fijn stof door bronnen (verkeer, landbouw, industrie,...) bedoeld. De concentraties (meestal uitgedrukt in microgrammen per kubieke meter of µm/m3) in de buitenlucht worden bepaald door die uitstoot en de meteorologische omstandigheden. Er is echter geen lineaire relatie tussen de emissies en de concentraties van fijn stof.

De primaire en secundaire emissies in Europa (EU-27), België, Vlaanderen, Brussel en Wallonië worden in onderstaande figuren weergegeven. De secundaire emissies worden uitgedrukt met een aerosolvormingspotentieel (Aerosol Formation Potential of AFP) die rekening houdt met de mate waarin de gasvormige emissies van de precursoren NOx, SO2 en NH3 bijdragen aan de vorming van secundair fijn stof (De Leeuw, 2002).

De belangrijkste antropogene primaire emissies van PM10 in Europa (EU27) in 2008 zijn de emissies van verbrandingsprocessen van commercieel, instellingen en huishoudelijke energiegebruik (35 %), industriële processen (17 %), het wegtransport (14 %) en de landbouwsector (12 %). Voor België zijn dit eveneens de belangrijkste sectoren maar wegen de industriële processen (30 %) en het wegtransport (21%) iets zwaarder door. De belangrijkste antropogene secundaire emissies van PM10 in Europa zijn energieproductie en –distributie (26 %), het wegtransport (25 %) de landbouw (17 %) en het energiegebruik in de industrie. Voor België  zien we dat de sector wegtransport (32 %) een belangrijk aandeel van deze secundaire emissies vertegenwoordigt. De verhoudingen van de emissies per sector kunnen variëren naargelang de beschouwde regio, de activiteiten die plaatsvinden, de bevolkingsdichtheid, de verkeersdichtheid, etc.

Toon of verberg het antwoordWelke concentraties mogen niet overschreden worden?

De Europese Unie voerde in 1999 grenswaarden voor fijn stof (PM10) in. Volgens de Europese Richtlijn 1999/30/EG mogen vanaf 2005, de jaargemiddelden PM10 concentraties niet hoger zijn dan 40 µg/m³ en mag de daggemiddelde PM10 concentratie nog op hoogstens 35 dagen per jaar hoger zijn dan 50 µg/m³. In deze zogenaamde "eerste dochterrichtlijn" werden ook nog indicatieve (fase 2) grenswaarden (te respecteren in 2010) vastgelegd: een jaargrenswaarde van 20 µg/m³ en een daggrenswaarde van 50 µg/m³ die nog hoogstens op 7 dagen per jaar mag overschreden worden.

In 2008 werd deze richtlijn (samen met nog andere richtlijnen) vervangen door de nieuwe "cleaner air for Europe" richtlijn (2008/50/EG). De grenswaarden voor PM10 uit de richtlijn van 1999 werden overgenomen, maar de strengere fase 2 grenswaarden werden vervangen door normen voor het kleinere (en dus voor de gezondheid gevaarlijkere) PM2,5. Voor PM2.5 werd naast streef- en grenswaarden ook een "blootstellingsconcentratieverplichting" vastgelegd. Deze laatste verplichting wordt gebaseerd op een gemiddelde blootstellingsindex (GBI) die berekend wordt op basis van metingen in stedelijke achtergrondstations (verspreid in België). In die stedelijke achtergrondstations dienen de metingen representatief te zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking. De GBI is het voortschrijdend gemiddelde over drie kalenderjaren van de (jaargemiddelde) concentraties in die stedelijke achtergrondlocaties.

Polluent

 

streefwaarden1

grenswaarden2

Datum van toepassing

PM10

Jaargemiddelde

 

40 µg/m³.

Reeds van toepassing

 

Daggemiddelde

 

50 µg/m³.

Reeds van toepassing

PM2.5

Jaargemiddelde

25 µg/m³.

 

2010

 

Jaargemiddelde

 

25 µg/m³.

2015

 

Jaargemiddelde

 

20 µg/m³.

2020 (indicatief: wordt mogelijk herzien in 2013)

PM2.5

Blootstellings-

concentratievermindering

Aanvankelijke concentratie

Vermindering in procenten van de gemiddelde blootstellings-index (GBI)

 

2020

 

 

<8,5 of =8,5

0 %

 

 

 

 

>8,5 - <13

10 %

 

 

 

 

=13 - <18

15 %

 

 

 

 

=18 - <22

20 %

 

 

 

 

>= 22

Alle passende maatregelen om 18 µg/m³ te bereiken

 

 

PM2.5

Blootstellings-

concentratievermindering

 

20 µg/m³

2015

1 Een niveau dat is vastgesteld en dat voor zover mogelijk binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en dat juridisch afdwingbaar is.

2 Een niveau dat is vastgesteld en binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt, en wanneer het eenmaal is bereikt, niet meer mag overschreden worden. Een streefwaarde is in tegenstelling tot een grenswaarde niet juridisch afdwingbaar.

Toon of verberg het antwoordNieuwWat zijn de richtlijnen die opgesteld zijn door de Wereldgezondheidsorganisatie?

De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) heeft richtwaarden voor bepaalde polluenten met als doel de gezondheidsimpact zoveel mogelijk te beperken. Deze richtwaarden zijn bedoeld om beleidsmakers overal ter wereld te informeren en om op een efficiënte manier de risico’s van luchtvervuiling te beperken of te voorkomen. De richtwaarden komen tot stand na evaluatie van wetenschappelijke studies en zijn gebaseerd op ‘expert opinions’. De richtwaarden voor fijn stof zijn de volgende:

Polluent

 

Richtwaarde WGO

PM2.5

Jaargemiddelde

10 µg/m³.

 

Daggemiddelde

25 µg/m³ (niet meer dan drie overschrijdingen per jaar).

PM10

Jaargemiddelde

20 µg/m³.

 

Daggemiddelde

50 µg/m³ (niet meer dan drie overschrijdingen per jaar).

Tot op vandaag heeft de wetenschappelijke wereld nog geen waarde kunnen vaststellen waaronder er geen gezondheidseffecten voorkomen. De hierboven vermelde richtwaarden kunnen dus geen absolute bescherming van de gezondheid garanderen. De richtwaarden van de WGO zijn bedoeld om overal ter wereld te gebruiken om acties (in verschillende contexten) ter verbetering van de luchtkwaliteit te ondersteunen.

De door de landen gehanteerde normen voor fijn stof zijn meestal een afweging van een drietal elementen: bescherming van de volksgezondheid, de hiermee gepaard gaande risicoanalyse en de politieke context. De normen zijn afhankelijk van de gehanteerde strategie om een evenwicht te bereiken tussen de gezondheidsrisico’s, de technische haalbaarheid, economische overwegingen en nog verschillende andere politieke en sociale aspecten die op hun beurt afhankelijk zijn van de ontwikkeling en de mogelijkheden van een land en de aanwezige expertise op het vlak van luchtkwaliteit.

Toon of verberg het antwoordGezondheidsimpact van fijn stof: is er een verminderde levensverwachting?

Hoe kleiner het fijn stof deeltje hoe dieper het via de luchtwegen in het menselijk lichaam kan terecht komen. De allerkleinste deeltjes kunnen tot in het bloed doordringen. PM10 kan de slijmafvoer in de luchtwegen verstoren, ademhalingsklachten veroorzaken en de gevoeligheid voor luchtweginfecties verhogen. Ondermeer de aanwezigheid van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) in sommige stofdeeltjes bevordert de ontwikkeling van longkanker. Andere toxische bestanddelen van fijn stof kunnen zich na afzetting in de longen nog verder in het (menselijk) lichaam verspreiden via de bloedbaan of het lymfestelsel. Door blootstelling aan hoge piekconcentraties fijn stof verhoogt ook het risico op het krijgen van een hartaanval. Ultrafijne partikels (UFP of PM0,1 ) dringen dieper door in de longen dan grotere partikels, hebben een veel groter oppervlak per eenheidsmassa, en kunnen rechtstreeks in de bloedsomloop geraken. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat vooral de verbrandingsdeeltjes (vooral afkomstig van de uitlaat van verkeer) van UFP gezondheidseffecten kunnen veroorzaken. Het is nog niet 100% duidelijk welke mechanismen er schuil gaan achter deze gezondheidseffecten.

De mate waarin fijnstof binnendringt in het lichaam, is afhankelijk van de grootte van de stofdeeltjes

Bron: Lokaal gezondheidsoverleg

De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) stelt dat kortstondige blootstelling aan hoge fijnstofconcentraties (kortetermijnblootstelling) de volgende effecten kunnen hebben: ontsteking van de longen, effecten op de luchtwegen, nefaste effecten van cardiovasculaire aard (effect op hart- en bloedvaten), een toename van het gebruik van medicatie, hospitalisatie en mortaliteit. Mensen met luchtwegenaandoeningen zoals astma, chronisch obstructief longlijden (COPD), hartproblemen evenals oudere personen en kinderen worden als risicogroepen beschouwd.

Ook de langdurige blootstelling aan lagere fijnstofconcentraties kan aanleiding geven tot negatieve gezondheidseffecten (lange termijn effecten). Zo stelt de WGO dat er een hoger risico is op het krijgen van luchtwegenaandoeningen en dalende levensverwachting als gevolg van cardio-pulmonaire (hart en longen) mortaliteit en waarschijnlijk ook als gevolg van longkanker. Deze effecten zijn meer uitgesproken bij oudere mensen, kinderen of mensen die hart-, immuniteits- of ademhalingsproblemen hebben.

In het kader van het CAFE programma (Clean Air For Europe) werd berekend dat in het jaar 2000 door blootstelling aan PM2,5 de levensverwachting in de EU gemiddeld daalde met 8 maanden. Voor Vlaanderen werd berekend dat een inwoner gemiddeld ongeveer één gezond levensjaar verliest door de chronische gezondheidseffecten van PM2,5. In de Scandinavische landen is de levensverwachtingsdaling het laagst.

Uit een Amerikaanse studie (ref naar nieuw artikel Pope) blijkt dat de levensverwachting ook terug toeneemt wanneer fijnstofconcentraties dalen.

verlies aan levensverwachting door PM2.5 uitgedrukt in maanden (prognose voor 2010). Deze inschatting is gebaseerd op modelresultaten, niet op metingen!
Figuur: Het aantal jaren levensverwachtingsvermindering door PM2.5 uitgedrukt in maanden (prognose voor 2010). Deze inschatting is gebaseerd op modelresultaten, niet op metingen!

Toon of verberg het antwoordNieuwHelpt een mondmasker om de inhalering van fijnstof te verminderen?

Een eenvoudig masker van papier beschermt absoluut niet tegen de fijne stofdeeltjes.

Er bestaan beschermingsmaskers die gebruikt moeten worden door arbeiders die blootgesteld zijn aan fijnstof. Deze maskers bestaan uit filterende en absorberende materialen die voldoen aan de eisen zoals gesteld in de Europese Richtlijn 89/686/EEG inzake persoonlijke beschermingsmiddelen.

Het zou echter overdreven zijn om dergelijke maskers te dragen op straat (althans in ons land). Enkel mensen die lijden aan bepaalde ziektes of werknemers die continue blootgesteld worden aan fijnstofconcentraties, kunnen voordeel halen uit het dragen van dergelijke maskers.

Toon of verberg het antwoordNieuwWorden de Europese PM10-grenswaarden gehaald in België?

Aangezien het onmogelijk is om overal een meetstation te plaatsten worden interpolatiekaarten gebruikt om concentraties voor gans België ruimtelijk weer te geven. Deze kaarten (met een resolutie van 4x4 km) worden gemaakt met de RIO-corine interpolatietechniek. Deze techniek maakt gebruik van satelliet landgebruiksgegevens om de PM10 vervuiling in te schatten op plaatsen waar geen PM10 metingen gebeuren.

Jaargemiddelde PM10 - concentraties

De Europese jaargrenswaarde (40 µg/m³) werd in 2012 niet overschreden (zie onderstaande kaart, rood staat voor een overschrijding). In voorgaande jaren werden er soms lichte lokale overschrijdingen vastgesteld op plaatsen in de buurt van belangrijke emissiebronnen. In 2003 werd de jaargrenswaarde op verschillende plaatsen niet gehaald omwille van de uitzonderlijke meteorologische omstandigheden dat jaar (droog, lage gemiddelde snelheden en meer dan gemiddeld continentale luchtstromingen). De jaargemiddelde PM10-concentratie kan beschouwd worden als een maat voor de lange termijnblootstelling aan deze fractie van fijn stof. Om een historisch overzicht te verkrijgen van de jaargemiddelde PM10 concentraties, klik hier.

Daggemiddelde PM10-concentraties

De Europese PM10 daggrenswaarde (niet meer dan 35 dagen met een daggemiddelde concentratie hoger dan 50 µg/m³) werd in 2012 in België op verschillende plaatsen overschreden.  Om een historisch overzicht te verkrijgen van de daggemiddelde PM10 concentraties, klik hier.

Toon of verberg het antwoordNieuwWat is het aandeel aan de fijnstofconcentraties in België die afkomstig zijn uit het buitenland?

Volgens verschillende studies en simulaties is 70 tot 80% van de gemeten concentraties altijd aanwezig, zelfs bij afwezigheid van emissies in België. Dit bewijst dat een groot deel van de PM10 vervuiling waarschijnlijk kan toegewezen worden aan langeafstandstransport. Naast dit aandeel (transboundary background) zijn er nog de regionale en de lokale bijdragen. In zones met veel fijnstofemissies (agglomeraties, industriezones,…) is de impact van lokale emissies op gemeten concentraties veel belangrijker.

Vanuit een ander oogpunt, kan men zien dat de emissies afkomstig uit het buitenland een grote impact zullen hebben op de jaargemiddelde concentraties. De dagelijkse overschrijdingen van de grenswaarde zullen voornamelijk gerelateerd zijn aan lokale emissies.

oorsprong emissies

 

Omgekeerd kan men dan ook stellen dat heel wat "Vlaams" fijnstof geëxporteerd worden buiten onze landsgrenzen. Dit kan aangetoond worden aan de hand van onderstaande figuur.
Deze figuur geeft weer hoe de PM2.5 emissies in onze buurlanden (en Vlaanderen zelf) indien er geen Vlaamse emissies zouden zijn.

Vlaamse fijnstofemissies in Europa

Toon of verberg het antwoordIs huishoudelijke verwarming ook een bron van fijnstof emissies?

Verwarmingssystemen maken gebruik van verschillende energiebronnen.: fossiele brandstoffen (kolen, stookolie, gas), biomassa (hout,…), natuurlijke bronnen (zonne-energie, geothermiek,…). Enkel de systemen die gebruik van natuurlijke bronnen, zijn “emissie-neutraal”. Ondanks het feit dat het inderdaad klopt dat een volledige verbranding enkel maar zorgt voor koolstofdioxide- en wateremissies, is het overgrote deel van de verbrandingen onvolledig, en vinden er dus ook emissies plaats van verontreinigende gassen en partikels. De meeste brandstoffen bevatten ook “onzuiverheden” of niet-brandbare elementen, in variabele hoeveelheden. De verontreinigende emissies zijn dus afhankelijk van het type brandstof en de gebruikte technologie.

De afgelopen jaren werd er meer en meer gebruik gemaakt van verwarmingssystemen op hout. Men beschouwt hout vaak als een schone, hernieuwbare en goedkope energiebron, en hierdoor zou men ook geen fossiele brandstof meer hoeven te gebruiken. Men moet er echter voor opletten dat hout een “ruwe” enerigebron blijft, bestaande uit ongeraffineerde complexe elementen. Om ervoor te zorgen dat de emissies zeer laag zouden zijn, moet men het verbrandingsproces perfect beheersen en controleren.

Recente Europese studies hebben aangetoond dat biomassaverbranding (verbranding van hout, verbranding van vegetatie) in belangrijke mate bijdraagt aan de luchtvervuiling, voornamelijk in de winter. Het Europese project CARBOSOL heeft de bijdrage bestudeert die verschillende energiebronnen hebben aan de fractie organische koolstof. De analysemethodes gebruikt in het onderzoek deden een beroep op chemische tracers, zoals levoglucosan, en gebruikten ook C14 metingen.
Levoglucosan – suiker dat onstaat door de verbranding van cellulose – blijkt een zeer goede chemische tracer te zijn die toelaat om ondubbelzinnig de emissies te bepalen die ontstaan door biomassaverbranding. C14 is een radioactieve isotoop van koolstof die te snel desintegreert (halfwaardetijd van ongeveer 5730 jaar) om terug te vinden in fossiele brandstoffen, maar die wel aanwezig is in biomassa. De resultaten hebben aangetoond dat in de winter 50 à 70% van de massa aan koolstofhoudende aerosolen afkomstig is van de verbranding van biomassa, ongeacht de geografische locatie in Europa.

Om de vervuiling, en dan voornamelijk het koolstofgedeeelte op een continentale schaal in de winter, te beperken, zijn technologische ontwikkelingen op valk van  biomassaverbranding noodzakelijk, net als een rigoureuze reglementering om de toepassingsmogelijkheden te beperken.

Toon of verberg het antwoordZijn de stoffilters voor dieselwagens een efficiënte manier om fijnstof vervuiling tegen te gaan?

Om tegemoet te komen aan de fijnstof emissienormen (Richtlijn 98/70/EG, EURO4), hebben de autoconstructeurs hun voertuigen voorzien van een stoffilter . De filter elimineert een groot deel van de deeltjes in de uitlaatgassen van dieselwagens, door middel van een fysische filtratie op een keramische drager.

Om de efficiëntie van de filtratie te waarborgen, verstopping te voorkomen en prestatievermindering van de motor tegen te gaan, is het noodzakelijk dat de filter gedurende ongeveer 10% van de rijtijd gegenereerd wordt. Gedurende deze regeneratiefase moet de temperatuur in de filter ongeveer een 500°C zijn, zodat het mogelijk is om de geaccumuleerde deeltjes te verbranden en vernietigen. Deze temperatuur ligt ver boven de normale temperatuur van de uitlaatgassen die ongeveer 200°C bedraagt. De oplossing is dus om de temperatuur te verhogen vóór de filtere, door injectie van een hoeveelheid brandstof in de katalysator op de plaats waar het zal ontbranden. Bij sommige filters zorgt de toevoeging van een katalysatoradditief in de brandstof ervoor dat het mogelijk wordt om de regeneratietemperatuur te doen dalen.

Bij afwezigheid van een additief is de regeneratie minder efficiënt, zeker onder stadsverkeercondities.  In reële rijomstandigheden impliceert de regeneratiefase een verhoogde emissies van verontreinigende gassen (NO2). Bij de testcycli van de emissieniveaus (EURO-normen) houdt men daar voorlopig geen rekening mee. Bovendien neemt de efficiëntie van de filters af met de grootte van de deeltjes. Zelfs als er slechts 1 tot 5% van de massa van de deeltejs ontsnappen uit de filters, is hun aantal zeer belangrijk gezien het gegeven dat die deeltjes vaak een diameter hebben kleiner dan 1 µm, en deze dus zorgen voor de grootste gezondheidsproblemen.

Toon of verberg het antwoordWanneer komen smogepisodes voor?

"SMOG" is de samentrekking van de Engelse woorden "smoke" (rook) en "fog" (mist). Het woord werd voor het eerst gebruikt in de jaren 50 toen er op sommige dagen in de winter een "mist" van "rook" over Londen hing. Deze smog werd veroorzaakt door het veelvuldig gebruik van (vervuilende) steenkool voor het verwarmen van woningen. Smog wordt nu gebruikt om een periode met teveel luchtvervuiling aan te geven. In de zomer spreekt men dan van "ozon-" of "zomersmog". In de winterperiode is de belangrijkste component van "(winter)smog" fijn stof. Ook in het voorjaar (maart/april) zijn er soms fijnstofsmogepisodes die veroorzaakt worden door een toename van voornamelijk (anorganisch) secundair fijn stof

Smogepisodes in de winter (december tot en met februari) zijn in hoofdzaak te wijten aan een slechte verdunning van de luchtvervuiling bij ongunstige meteorologische omstandigheden: weinig wind 'van continentale oorsprong) en een temperatuursinversie. Weinig wind zorgt voor een slechte horizontale dispersie (verspreiding) van de vervuiling, en de aanwezigheid van een thermische inversie verhindert de verticale dispersie. Wanneer de wind een oostelijke component heeft, dan wordt ook vervuilde lucht uit Oost-Europa aangevoerd. Deze continentale lucht is meestal meer vervuild dan Atlantische (zee)lucht en kan over zeer grote afstanden getransporteerd worden. Fijn stof uit Oost-Europa kan zo ook in ons land terechtkomen waarbij de fijnstof concentraties gevoelig toenemen.

Thermische of temperatuursinversie

In normale situaties neemt de temperatuur af met de hoogte. Bij een thermische of temperatuursinversie doet zich het omgekeerde voor: vanaf een bepaalde hoogte stijgt de temperatuur opnieuw en wordt ze hoger dan de temperatuur in de lagere luchtlagen. De luchtvervuiling, die in een normale situatie verticaal wordt verdund, wordt nu vastgehouden onder die inversielaag. Deze inversielaag zorgt voor een soort deken die de luchtvervuiling tegenhoudt. Temperatuursinversies komen in de winter vaak voor wanneer we onder de invloed zijn van een hogedrukgebied. In een hogedrukgebied zijn er dalende luchtstromingen. Dalende lucht warm op door wat men in de fysica "adiabatische compressie" noemt. In dat geval spreekt men van een subsidentie-inversie.

Als er tijdens een periode met een temperatuursinversie ook weinig wind is, wordt ook de horizontale verspreiding van de luchtvervuiling moeilijker. De stoffen die zorgen voor luchtvervuiling zullen zich opstapelen in een kleiner volume lucht (door de inversie) waardoor de concentraties van onder andere fijn stof zal toenemen. Hoe lager in de atrmosfeer waar de inversie begint, hoe kleiner het volume waarin zich de luchtvervuiling kan opstapelen, en dus hoe ongunstiger de inversie voor de luchtkwaliteit.

temperatuursinversie

foto temperatuursinversie






Een temperatuursinversie is soms zichtbaar: Op 18 februari 2008 was er in Waregem een woningbrand. Omdat er die dag geen wind was, steeg de rookpluim van die brand verticaal. Omdat er ook een temperatuursinversie was, steeg de rookpluim tot aan de inversielaag waarna ze zich verder horizontaal verspreide. Foto: Frank Desoppere (waarvoor dank)

Toon of verberg het antwoordWelke acties onderneemt men in Belgie tegen smog episodes?

De Europese Commissie verplicht de Lidstaten om actieplannen op te stellen teneinde het risico op overschrijdingen van de streef- of grenswaarden en de duur ervan te beperken. Deze plannen kunnen bestaan uit controlemaatregelen en, indien noodzakelijk, verbod op bepaalde activiteiten (inclusie wegverkeer), die bijdragen aan het overschrijden van de grenswaarden. Lidstaten kunnen ook overwegen om meer gerichte maatregelen te treffen om de kwetsbare bevolkingsgroepen, waaronder kinderen, te beschermen.

Op 2 september 2008 hebben de bevoegde Ministers van Milieu van de drie Gewesten samen met de Interregionale Cel voor het Leefmilieu (IRCEL) het protocol aangenomen die de coördinatie bepaalt tijdens periodes van vervuiling. Het protocol treedt in actie bij pollutiepieken van PM10 of NO2. Op  basis van het samenwerkingsakkoord tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest inzake het toezicht op emissies in de lucht en op de structurering van de gegevens (Belgisch Staatsblad 24-06-1994, p 17211), is het de taak van de Interregionale Cel voor het Leefmilieu voor “het opvolgen van fases van toenemende vervuiling en het verwittigen van de verantwoordelijke instanties die door de Gewesten aangeduid zijn”. In het bijzonder verspreidt IRCEL een informatiebulletin indien  er verhoogde concentraties van fijnstof (PM10) en/of stikstofdioxide (NO2) voorspeld of gemeten zijn. Deze taken worden uitgevoerd vanaf december 2003 op vraag van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, sinds januari 2005 op vraag van het Vlaams Gewest en sinds december 2005 voor het Waalse Gewest.

Om episodes van verhoogde concentraties te voorspellen, maakt IRCEL gebruik van voorspellingen afkomstig van meteorologische modellen (ALADIN, ECMWF) om dispersiecondities te identieficeren. Daarnaast worden ook voorspellingen gebruikt afkomstig van modellen die bij IRCEL zelf draaien (onder andere SMOGSTOP, OVL, CHIMERE) die de concentraties voorspellen. Deze verschillende informatiebronnen worden geanalyseerd, vergeleken en geconfronteerd met eerdere ervaringen binnen het veld van de luchtkwaliteitsvoorspellingen.

Activatie van het protocol: De activatie van het protocol bestaat uit twee fases: een pre-alarm fase, gevolgd door een alarmfase.

  1. Pré-alarm fase

Deze fase gaat van start om bepaalde diensten van de Gewesten in staat van paraatheid te brengen, en begint als voorspellingen wijzen op overschrijdingen van de regionale drempelwaarden voor PM10 van 70 µg/m³ (dagelijkse concentratie) voor tenminste twee opeenvolgende dagen. NO2, een van de belangrijkste polluenten binnen de verkeerssector, wordt specifiek opgenomen in het Brusselse actieplan, en de eerste drempelwaarde bedraagt 150 µg/m³

De drempelwaarde van 70 µg/m³ wordt in alle drie de Gewesten gehanteerd, alleen is de geografische invulling verschillend:

  • Brussel: De daggemiddelde concentratie van 70 µg/m³ moet bereikt worden in minstens twee Brusselse meetstations
  • Wallonië: de concentratie van 70 µg/m³ moet bereikt worden gemiddeld gezien in twee geografische zones in Wallonië, in het noorden en in het zuiden.
  • Vlaanderen: De daggemiddelde concentratie van 70 µg/m³ moet bereikt worden over het volledige Vlaamse Gewest.

 Dit wordt grafischer voorgesteld aan de hand van onderstaand schema:

aankondiging smogalarm_juiste waarde

   2.  Alarmfase

De alarmfase wordt één dag voor het begin van de episode met verhoogde vervuiling geactiveerd. Deze fase vindt enkel plaats als de voorspellingen van IRCEL het risico op verhoogde vervuiling bevestigen die eerder bij de pre-alarmfase werden voorspeld.

De activatie van de alarmfase impliceert dat men vanuit IRCEL een informatiebulletin verspreidt die volgende gegevens bevat:

  • De oorzaken van de episode met verhoogde vervuiling
  • De huidige situatie en de vermoedelijke evolutie
  • De aarde van de polluenten
  • Algemene aanbevelingen voor de volksgezondheid en uit te voeren acties om de emissies te beperken.

Verlenging en einde van een smog-episode

Een smog-episode voorspeld door IRCEL duurt altijd minstens twee dagen. In het geval dat de smog-episode langer zal duren dan twee dagen, communiceert IRCEL te beginnen vanaf de tweede dag een intern bericht over de vermoedelijke evolutie van de situatie. Indien noodzakelijk kan men ook een bericht aan de pers verzenden. Op basis van analyses en interpretaties van gemeten  en voorspelde concentraties, bericht IRCEL over het einde van de smog-episode, en dit één dag voor dit einde. Dit bericht wordt ook integraal gecommuniceerd naar de media.

Activatie van regionale actieplannen

Wanneer de alarmfase van kracht is, moet elk Gewest de voorziene maatregelen uit de noodplannen bij piekconcentraties van fijnstof in werking stellen.

Voor meer informatie over de regionale plannen verwijzen we door naar onderstaande sites:

Brussels Hoofdstedelijk Gewest:

Waals Gewest:

Vlaams Gewest:

Bovenop de drempelwaarde van 70µg/m³ voorzien de plannen in Brussel en Wallonië twee extra interventiedrempels (100 & 200 µg/m³) met verschillende bijkomstige maatregelen. Voor NO2 zijn de twee extra drempalwaarden vastgelegd op 200 en 400 µg/m³

 

Schematisch worden de verschillende fases in een smog-protocol en -episode als volgt voorgesteld:

Fases bij een smogalarm

Toon of verberg het antwoordNieuwWat kan de bevolking doen bij het voorkomen van fijnstof piekconcentraties?

In geval van verhoogde fijnstof concentraties moeten personen die gevoelig of kwetsbaar zijn aan deze vervuiling volgende acties in acht nemen:

  • Binnen blijven, niet verluchten, ramen en deuren gesloten houden
  • Niet roken en/of niet in rokersruimtes komen
  • Geen langdurige fysieke inspanningen uitoefenen (bv. Joggen)
  • Beperken van wandelen met de kinderen

Personen die reeds last hebben van hart- of longaandoeningen, kunnen het best hun huisarts consulteren om een inschatting te maken van de noodzaak om hun behandeling eventueel aan te passen. Deze personen moeten hun huisarts raadplegen bij de minste veranderingen van symptomen. Andere kwetsbare personen die ademhalings- of cardiale moeilijkheden vertonen, moeten onmiddellijk hun huisarts raadplegen.

Toon of verberg het antwoordWat kan ik zelf doen om mijn fijnstof emissies te beperken?

Door enkele eenvoudige en kleine ingrepen en gedragswijzigingen kan iedereen bijdragen aan een vermindering van fijnstof emissies, zeker wanneer er smog-episodes plaatsvinden:

  • Gebruik van alternatieve vervoerswijzen in plaats van het gebruik van de eigen wagen
  • Aan carpooling doen
  • Geen gebruik maken van dieselwagens die niet zijn uitgerust met een roetfilter
  • Geen open haard of kachel laten branden “voor de gezelligheid”
  • De verwarming een graad of 2 lager zetten
Toon of verberg het antwoordIs 90 km/h rijden een druppel op een hete plaat?

In de studie ‘Impact 90 km/u beleidsmaatregel luchtkwaliteit’ is op basis van modellen het effect bestudeerd van de snelheidsvermindering  tot  90km/u in Vlaanderen tijdens smogepisodes. Deze 90 km/u-maatregel (SMOG90-maatregel) is van toepassing op stukken van de autosnelweg die door eerder dichtbevolkte gebieden gaan (zie hiervoor figuur 1 en figuur 2 onderaan deze pagina). Via een koppeling van verschillende luchtkwaliteitsmodellen is de situatie met en zonder de maatregel nagebootst. Het effect van de maatregel kan dan aangegeven worden door het verschil tussen de berekende concentraties van de situatie met en zonder maatregel.

Uit de studie blijkt dat snelheidsverlagingen tijdens smogepisodes een duidelijk effect hebben op de luchtkwaliteit. De daling van de fijnstofconcentraties PM10 en PM2.5 zijn eerder beperkt tot enkele procenten (zie onderstaande figuren) en situeren zich logischerwijze in de onmiddellijke omgeving van de snelwegen. Er kan wel een belangrijke concentratiedaling van 30 % elementair koolstof (EC) worden vastgesteld in de buurt van de betrokken snelwegen. De impact op de concentraties EC zijn dus aanzienlijk.  EC is een maat voor dieselroet en er zijn bovendien steeds meer aanwijzingen dat verbrandingsdeeltjes vooral afkomstig van de uitlaat van verkeer gezondheidseffecten veroorzaken. Zie hiervoor figuren 3, 4 en 5 onderaan deze pagina.

Uit de berekeningen blijkt eveneens dat tengevolge van de snelheidsvermindering tot 90 km/u op sommige plaatsen tot op ongeveer 4 km van de autosnelweg een daling van 5 tot 10 % EC kan vaststellen. Verder werd berekend dat meer dan 40.000 Vlamingen door de snelheidsbeperkingen blootgesteld worden aan minstens 10 % minder EC of dieselroet. Voor iets meer dan 7500 Vlamingen is dat een daling van minstens 15 %. Opvallend is dat bijna 1 miljoen Vlamingen (1/6de van de bevolking) woont op minder dan 1500 meter van de snel- en ringwegen waar de snelheidsvermindering tijdens smogepisodes wordt ingevoerd.

Wegsegmenten in Vlaanderen waar snelheidsbeperking van kracht is
Figuur 1: Wegsegmenten in Vlaanderen waarop SMOG90-maatregel geldt

Wegsegmenten in Wallonië waar snelheidsbeperking van kracht is
Figuur 2: Wegsegmenten in Wallonië waarop SMOG90-maatregel geldt.

 

Invloed SMOG90-maatregel op PM10
Figuur3: invloed SMOG90-maatregel op PM10

Invloed SMOG90-maatregel op PM2.5
Figuur 4: invloed SMOG90-maatregel op PM2.5

Invloed SMOG90-maatregel op EC
Figuur5: invloed SMOG90-maatregel op EC

 

Toon of verberg het antwoordWat is de invloed van klimaat op fijnstof ?

De invloed van de klimaatsverandering op de fijnstofconcentraties werd nagegaan door middel van luchtkwaliteitsmodelsimulaties. Voor de berekeningen van de PM10-concentraties in de toekomst (2030) werd gebruik gemaakt van verschillende emissiescenario’s en de meteorologische gegevens van het jaar 2003. Het gebruik van de meteorologische gegevens van het extreem jaar 2003 (droge zomer, temperatuursinversies in de winter) dient als benadering van een weertype dat volgens de huidige klimaatprojecties mogelijk frequenter zal voorkomen en zou dus een beeld moeten geven van het effect van de klimaatverandering. In deze modelsimulaties wordt dus rekening gehouden met verminderde reductiescenario’s (referentie-scenario, Europa scennario en visionaire scenario) en met de klimaatverandering.

In het referentiescenario wordt rekening gehouden met de momenteel van kracht zijnde wetgeving en regelgeving, het Europa-scenario betreft een aantal bijkomende maatregelen zoals omschreven in de Europse Strategie inzake luchtkwaliteit. Het visionaire scenario betreft verregaande maatregelen ter bevordering van de luchtkwaliteit. De concentraties worden dan door het luchtkwaliteitsmodel (Beleurosmodel) berekend op basis van de emissies van het referentiescenario’s en meteogegevens van het jaar 2003. De meteogegevens van 2007 zijn voor de fijnstofconcentraties ‘vrij normaal’ hiermee wordt bedoeld dat dit geen uitzonderlijk slecht meteojaar is voor fijnstofconcentraties. De berekende concentraties worden vervolgens gekalibreerd op basis van gekende concentraties PM10 van het referentie jaar 2007

Het effect van het scenario op waarin de extreme meteogegevens van 2003 gebruikt worden op de jaargemiddelde PM10-concentraties in Vlaanderen is aanzienlijk. Het verschil is van een orde-grootte van 5 µg/m³ ten opzichte van de concentraties met de ‘normale’ meteorologische gegevens van 2007 (zie onderstaande figuur). De Europese jaargrenswaarde (40 µg/m³) wordt echter voor geen enkel scenario, ook niet deze met extreme meteo, overschreden. Een grafische voorstelling is te zien op figuur 1.

Het gebruik van de extreme meteorologische gegevens van 2003 heeft een significant effect op het aantal overschrijdingen van de Europese daggemiddelde PM10 grenswaarde. Het percentage van de bevolking in Vlaanderen dat op meer dan 35 dagen blootgesteld wordt aan daggemiddelde concentraties hoger dan 50 µg/m³, ligt in 2030 voor het referentiescenario ongeveer dubbel zo hoog als het percentage dat berekend werd met ‘normale’ meteogegevens van 2007. Dit is grafisch voorgesteld op figuur 2. Voor het Europa scenario is het verschil in percentage blootstelling aan de bevolking nog explicieter (factor 4.5). Het referentiescenario gaat uit van dalende emissies en toch zal in 2030 in het geval van het referentiescenario en extreme meteorologische omstandigheden, die staan voor de klimaatsverandering, een groter percentage van de bevolking blootgesteld worden aan overschrijdingen van de daggemiddelde PM10-concentratie dan in 2007. Hieruit kan besloten worden dat de klimaatsverandering de emissiedaling van het referentiescenario te niet kan doen. Of met andere woorden de klimaatsverandering zal de inspanningen om de uitstootvermindering zoals ze vandaag zijn vastgelegd in huidig milieubeleid teniet doen.

Invloed klimaat op fijnstofemissies - 1
Figuur 1: Voorspelling jaargemiddelde PM10-concentraties voor verschillende scenario's en voor verschillende meteo-gegevens.

 

Invloed klimaat op fijnstofemissies - 2
Figuur 2: Voorspelling van de blootstelling van de bevolking aan PM10-concentraties hoger dan 50 µg/m³ gedurende meer dan 35 dagen per jaar, voor verschillende scenario's en voor verschillende meteo-gegevens.

Toon of verberg het antwoordWat is de invloed van fijnstof op het klimaat?

In het algemeen kan gesteld worden dat er een samenhang is tussen de klimaatsverandering en luchtkwaliteit. De samenhang tussen polluenten en klimaatsverandering is echter complex en er is nood aan nog heel wat wetenschappelijk onderzoek om deze samenhang te begrijpen. Bepaalde polluenten zoals elementair koolstof (en ook ozon) geven aanleiding tot een stijging van de temperatuur door warmte-adsorptie, andere zoals bijvoorbeeld SO2 (reflecterende eigenschappen) geven aanleiding tot een afkoeling van het klimaat. Sommige studies geven aan dat elementair koolstof de tweede of derde belangrijkste polluent zou zijn voor wat betreft de opwarming van de aarde. Elementair koolstof is een onderdeel van fijn stof (zie Wat is de chemische samenstelling van fijnstof?) en voornamelijk afkomstig van de onvolledige verbrandingsprocessen. Elementair koolstof wordt ook beschouwd als een maat voor dieselroet (dieselmotoren zijn de grootste bron van elementair koolstof in Europa). Maatregelen om deze emissies te verminderen zouden op korte termijn effecten kunnen opleveren voor het klimaat aangezien het een primaire (beheersbare) bron van fijn stof is.

Toon of verberg het antwoordWaarom zijn richtwaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie strenger dan de grenswaarden van Europa?

Bij het bepalen van de Europese grenswaarden is men uitgegaan van de volgende vraag: ‘Welke grenswaarden kunnen we aan de EU-27 opleggen om de best mogelijke luchtkwaliteit op de meest kostefficiënte manier te verwezenlijken die een maximale bescherming biedt aan de bevolking ?’ Om hierop te kunnen antwoorden werd een uitgebreide kosten-batenanalyse gemaakt. In zo een analyse worden de economische kosten (bv. installatie van roetfilters) die nodig zijn om de uitstoot van luchtvervuilende stoffen te beperken vergeleken met de baten (bv. vermindering uitgave ziekteverzekeringen door minder astma) die dit teweeg brengt. Op basis van deze analyse werd dan een politieke afweging gemaakt tussen de kosten en de baten en werden grenswaarden vastgelegd die haalbaar lijken. Zo een kosten-batenanalyse is onderwerp van discussie aangezien de baten (bv. gezondheidswinst) uitgedrukt moeten worden in geld, wat niet altijd evident is, en de kosten om de uitstoot te verminderen, volgens de industrie, dikwijls te laag worden ingeschat. Daarnaast stelt de EU dat de kosten niet ‘buiten proportie’ mogen zijn. Extreem hoge kosten zouden immers de maatschappelijke-economische toestand kunnen ontwrichten, ook al zijn de baten nog hoger dan de extreem hoge kosten. 

Toon of verberg het antwoordIs lopen in de stad gevaarlijk?

Iemand die sport ademt meer lucht in, en dus ook meer luchtvervuiling. Het antwoord of sporten in de stad nu al dan niet een goed idee is, is niet zo eenvoudig. Verschillende studies echter tonen aan dat de voordelen voor de gezondheid van bewegen (sporten) groter zijn dan de nadelen die een sporter ondervindt van luchtvervuiling. Probeer wel zoveel mogelijk drukke verkeersassen te vermijden. Loop in de stad dus in de parkgebieden, of de minder (auto)verkeersdrukke straten en tijdens smogepisodes wordt (intensief) sporten in de buitenlucht afgeraden. Een goede samenvatting staat in het volgende artikel van EOS.

Toon of verberg het antwoordWat is het gevaar van NO2? Hoe kun je er ziek van worden?

NO2 of stikstofdioxide is een stof die vrijkomt bij verbrandingsprocessen. Lucht bestaat uit ongeveer 80% stikstof (N2) en bij hoge temperaturen wordt dat door reacties met O2 (zuurstof) geoxideerd tot NO (stikstofmonoxide) en deels ook in NO2. NO wordt in de atmosfeer verder geoxideerd tot NO2. NO2 is een sterk “oxidans”. Het kan voor irritatie zorgen aan ogen, neus en keel en kan bij inademen ook zorgen voor longirritatie en een verminderde longfunctie. In gebieden met meer NO2 wordt vastgesteld dat er een grotere kans is op astma-aanvallen en een verhoging van het aantal ziekenhuisopname door klachten aan de luchtwegen. Er werd heel lang gedacht dat NO2 eerder een “indicator” is voor het complexe mengsel van verkeersgerelateerde luchtvervuiling en dat het op zich niet zo schadelijk is. Er bestaat immers een goede correlatie tussen NO2 en andere stoffen zoals bijvoorbeeld dieselroet. Daardoor is het niet zo evident om uit te maken welk van de twee (het meest) schadelijk is. Recente onderzoeken geven echter aan dat NO2 meer is dan die “proxy” voor luchtvervuiling, maar dat het als afzonderlijke molecule ook schadelijk is.

Toon of verberg het antwoordWie krijgt de meeste luchtverontreininging binnen de stad: de voetganger, fietser, autobestuurder, buspassagier? Waarom?

Onderzoek van de Uhasselt waarbij een groep van personen een week lang een persoonlijk “black carbon” (maat voor roet, in de stad vooral dieselroet) meettoestel meedroegen bij al hun verplaatsingen, wees uit dat de wanneer men zich verplaatst, men 2 tot 5 keer meer wordt blootgesteld aan luchtvervuiling dan wanneer men thuis is. De hoogste concentraties werden gemeten bij autobestuurders, passagiers van auto’s en bussen. De concentraties waaraan mensen werden blootgesteld wanneer mensen zich te voet of met de fiets verplaatsten waren ongeveer de helft lager. In de trein werden de laagste concentraties gemeten. Veel hangt af van het traject dat voor de verplaatsing wordt gekozen. De uiteindelijke hoeveelheid vervuiling die je inademt, hangt ook af van je ademhalingsritme en de tijd die je rijdt met de auto, fietst, te voet gaat enz. Als je de “dosis” (of vervuiling per minuut) die je inademt gaat berekenen, dan blijkt dat deze voor “actieve” personen (fietsers, voetgangers) ongeveer 2 maal zo hoog is als voor “passieve” (autobestuurders, passagiers). Dat komt omdat fietsers een hogere ademhalingsfrequentie hebben. Verplaats je met de fiets of te voet dus best in straten met zo weinig mogelijk verkeer.

Bron: artikel UHasselt

Toon of verberg het antwoordAls je in een auto zit, laat je dan best lucht van buiten in de auto komen voor ventilatie, of moet je de lucht beter intern laten circuleren?

Dit hangt af van de omstandigheden: in een tunnel in de file zet je best je ventilatie op interne circulatie. In de Brusselse tunnels zijn de NO2 concentraties 10 keer (en meer) hoger zijn dan in de Brusselse buitenlucht. Zet de ventilatie wel terug op wanneer je uit de tunnel of file bent. Door lange tijd de interne ventilatie op te laten staan zal de kwaliteit van de lucht in de wagen ook verslechteren.

Toon of verberg het antwoordWelke rol speelt het groen in de stad? Zou het zonder het Zoniënwoud in Brussel nog veel erger zijn?

Groen in de stad heeft veel voordelen. Het heeft een positieve impact op de luchtkwaliteit, bomen kunnen via hun bladeren fijn stof uit de lucht filteren, en het zorgt ook voor een vermindering van het “heat island” of hitte-eiland effect (zie hitte-eiland effect). Bomen in smalle straten met veel verkeer kunnen er in bepaalde configuraties echter wel voor zorgen dat de vervuiling onder het bladerdek blijft hangen en dus minder goed verspreid wordt. De bomen zijn echter NIET de oorzaak van die vervuiling. Dat is wel degelijk het wegverkeer. Wat de impact is van het Zoniënwoud op de luchtkwaliteit is niet zo eenvoudig te becijferen. Indien er geen Zoniënwoud zou zijn, maar op die plaats bewoning, verkeer en/of industrie dan zou de daarmee samenhangende luchtvervuiling bij ZO wind een negatief effect hebben op de luchtvervuiling in Brussel. Een deel van het regionaal aandeel van fijn stof dat Brussel binnenkomt bij ZO wind zal ook door de bomen in het Zoniënwoud worden weggefilterd. Ook de impact hiervan, weliswaar niet eenvoudig in te schatten, zou verdwijnen.

Toon of verberg het antwoordHebben stadsbewoners meer kans op ziekten door luchtvervuiling dan plattelandsbewoners?

In de stad is er over het algemeen meer luchtvervuiling dan op het platteland. De polluent die op lange termijn de grootste impact heeft op de gezondheid is fijn stof (PM2,5). PM2,5 is fijn stof met een diameter kleiner dan 2,5 micrometer. De “chronische” of langdurige blootstelling aan PM2,5 zorgt in België voor een gemiddelde levensduurvermindering van 7 à 9 maanden. In de grote agglomeraties (zoals Brussel) zijn de PM2,5 concentraties hoger dan gemiddeld, dus zal ook de levensduurvermindering er (enkele maanden) hoger zijn.

Bron: document (vanaf pagina 23)

Toon of verberg het antwoordKrijgen motorrijders in tunnels veel meer luchtverontreiniging binnen dan autochauffeurs?

Motorrijders hebben geen interne ventilatieknop, maar anderzijds staan motorrijders niet (of minder) in de file. Indien er geen file is en een motorrijder er ongeveer even lang over doet om door de tunnel te rijden is het antwoord eerder ja. Bij file en in een wagen zonder interne ventilatie zal de autobestuurder vermoedelijk meer blootgesteld worden. Bij vergelijken van een autobestuurder in de file in een wagen met interne ventilatie zal het eerder afhangen van de tijd dat hij in de file staat.

Toon of verberg het antwoordWanneer is een mondmasker nuttig?

Eénvoudige en goedkope mondmaskers houden wel een groot deel van het “grof” stof stegen, maar zeker niet het fijn stof (PM2,5 of PM10), en helemaal niet de allerkleinste UFP (“Ultra Fine Particles”) deeltjes. UFP of PM0,1 is fijn stof kleiner dan 0,1 µm (micrometer) of 100 nm (nanometer). Dat is gevoelig kleiner dan PM2,5 of PM10, fijn stof kleiner dan respectievelijk 2,5 en 10 µm. De wat duurdere “FFP3 of P3” maskers houden wel meer fijn stof tegen, maar zeker ook niet (alle) UFP’s. Uit experimenten met de betere maskers bleek dat de bloedruk van proefpersonen die in Pekingse smog rondliepen met masker gemiddeld wat lager was dan wanneer ze geen masker droegen. Deze bloeddruk metingen zijn een indicator voor het effect van de hoeveelheid vervuiling waaraan de proefpersonen werden blootgesteld. Een lagere bloedruk is dan een indicatie dat men minder hinder ondervindt van de luchtvervuiling. Hierbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat het geen “dubbelblind” test was. Om het effect van mondmaskers tegen luchtvervuiling te bestuderen, zou ook een dubbelblind test moeten gebeuren, maar dat is niet zo evident. Een dubbelblind test is nodig omdat de personen met mondmasker ook een lagere bloeddruk zouden kunnen hebben omdat ze door het dragen van het masker wat meer “gerustgesteld” zijn.

Bron: artikel

Toon of verberg het antwoordHoe doet Brussel het qua luchtverontreiniging in vergelijking met andere Europese steden?

In grote agglomeraties als Parijs, Berlijn of Milaan wordt net als in Brussel de NO2-jaargrenswaarde in straatstations en/of plaatsen met veel verkeer nog overschreden. De hoogste concentraties fijn stof worden gemeten in Oost-Europese landen, omdat daar nog vaak met steenkool wordt verwarmd en elektriciteit opgewekt.

Op een kaart van de concentraties van stikstofdioxide in Europa zijn Brussel en Antwerpen duidelijk te herkennen als rode stippen, net als bijvoorbeeld Parijs, Londen en Amsterdam, en de steden in Noord-Italië.

Concentratie NO2 in Europa

In Denemarken kost een wagen na BTW en taksen ongeveer twee keer zo veel als hier. Stockholm is ook een mooi voorbeeld: daar bestaat een soort wegentol die de filezwaarte gevoelig (en blijvend) heeft verlaagd. In Berlijn en andere Duitse steden bestaan dan weer al jarenlang 'lage-emissiezones', waardoor de meest vervuilde wagens uit de binnenstad worden geweerd. Zo'n lage-emissiezone wordt vanaf 2016 ook in Antwerpen voorzien. 

Meer info in het jaarrapport lucht van het Europese milieuagentschap, zie jaarrapport lucht EMA.

Voor een EU kaart met metingen, zie kaart met data van 2012.

Toon of verberg het antwoordHoe schadelijk is fijnstof en wat zijn de gezondheidseffecten?

Dieselroet wordt sinds 2012 door de WHO beschouwd als kankerverwekkend. Blootstelling aan teveel dieselroet (één specifieke component) van fijn stof verhoogt het risico op longkanker. Ook blootstelling aan fijn stof in het algemeen zorgt voor het hoger risico op longkanker maar ook op hart- en vaatziekten.
De laatste jaren blijkt uit epidemiologisch onderzoek dat er ook andere, minder verwachte, gezondheidseffecten zijn: een lager geboortegewicht bij kinderen waarvan de moeder woont in gebieden met meer luchtvervuiling, luchtvervuiling zorgt voor een hogere kans op slagaderverkalking, mensen met diabetes zijn gevoeliger voor de effecten van luchtvervuiling enz.
Die risico's moet je wel afwegen ten opzichte van andere gezondheidsrisico's. Uit een studie in 2002 in de Verenigde Staten bleek dat het verlies aan levensjaren door blootstelling aan luchtvervuiling vergelijkbaar is met de effecten van "licht" (BMI > 25 - 27) tot "ernstig" (BIM 30-40) overgewicht.
Door de huidige blootstelling aan fijn stof daalt de levensverwachting gemiddeld tussen tussen 7 en 9 maanden, roken zorgt voor een gemiddelde levensduurvermindering van 10 jaar. Roken is wel een eigen keuze, blootstelling aan luchtvervuiling niet.

Toon of verberg het antwoordWat is het "Ozon- en hitteplan" in België en wat zijn de verschillende fasen?

De context

In 2003 werd Europa getroffen door een uitzonderlijke hittegolf. Door de hoge temperaturen en ozonconcentraties was er een sterke toename van de morbiditeit en mortaliteit bij risicogroepen (ouderen, personen met ademhalingsproblemen).

Naar aanleiding van deze hittegolf werden door verschillende landen 'hittegolfactieplannen' opgesteld om crisissituaties zoals die in 2003 beter te beheren. De bedoeling van deze plannen is om snel te kunnen reageren met gepaste maatregelen om de gezondheidsimpact van hoge temperaturen en ozonconcentraties bij de risicogroepen (en bij uitstek de hele bevolking) te verminderen.

In België werd geopteerd om een nationaal plan op te stellen waarbij zowel drempels voor temperatuur als ozon worden gehanteerd. Sinds de zomer van 2005 is dit 'Ozon- en hittegolfplan' (wordt verder in de tekst aangeduid als 'plan') in werking. De definitie van hittegolf in het huidige "Ozon- en hittegolfplan" komt niet overeen met de definitie die door klimatologen wordt gebruikt. Om verwarring te vermijden wordt het plan voortaan het "Ozon- en hitteplan" genoemd.

De verschillende fasen van het plan

Het "Ozon- en hitteplan" bestaat uit 3 fasen waarbij de tweede fase, de waarschuwingsfase, wordt onderverdeeld in twee niveaus:

1. een waakzaamheidsfase

2. een waarschuwingsfase, onderverdeeld in niveau 1 en niveau 2

3. een alarmfase

De waarschuwings- en alarmfasen gaan in wanneer aan een aantal criteria wordt voldaan. Deze criteria zijn gebaseerd op resultaten van 5-daagse weersvoorspellingen, dagelijkse ozonmetingen en 2-daagse ozonvoorspellingen.

De eerste twee fasen van het plan, de waakzaamheidsfase en de waarschuwingsfase (niveau 1 en niveau 2) zijn gebaseerd op objectieve criteria (periode, temperatuur en ozonconcentratie). Het activeren van de alarmfase daarentegen vereist bijkomende beoordelingscriteria ("de noodzakelijke acties voor dit niveau worden uitgevoerd wanneer de drempelwaarde bereikt is en blijkt dat de reeds genomen maatregelen geïntensifieerd moeten worden").

Vooraleer de alarmfase wordt geactiveerd, wordt volgens het oorspronkelijk plan uit 2004 een "Risk Assessment Groep" (RAG) opgericht. Deze RAG evalueert of het activeren van de alarmfase opportuun is en of er aanvullende maatregelen nodig zijn. De voorstellen en besluiten van de RAG wordt dan bezorgd aan de "Risk Management Group" (RMG) die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten. De RMG beslist uiteindelijk of het alarm wordt geactiveerd. De hitte- en ozoncriteria voor de alarmfase werden sinds het plan in werking trad nog nooit bereikt. De RAG en RMG zijn dan ook nog nooit opgericht geweest in het kader van het huidige plan.

De drempels van dit plan zijn:

Temperatuur: de minimum temperatuur van 18°C en maximum temperatuur boven 30°C, gemiddeld in de beschouwde periode, die gemeten worden te Ukkel (KMI).

Ozon: het plan is gebaseerd op de Europese informatie- en alarmdrempel zoals die zijn gedefinieerd in de richtlijn 2008/50/EG en die respectievelijk 180 µg/m³ en 240 µg/m³ als uurgemiddelde concentratie bedragen.

 

De drie mogelijke fasen van het plan zijn:

1. De waakzaamheidsfase

De waakzaamheidsfase gaat in vanaf 15 mei, en loopt tot en met 30 september. Vanaf 15 mei worden de acties
systematisch opgestart. Men spreekt hier niet van een drempel, maar van een periode.

2. De waarschuwingsfase

De waarschuwingsfase bestaat uit 2 niveaus:

Niveau 1

Dit niveau is uitsluitend gebaseerd op meteorologische criteria. Het wordt bereikt wanneer, op basis van meteorologische voorspellingen, gedurende een periode van twee dagen aan de volgende criteria is voldaan:

- de gemiddelde minimumtemperatuur (in de beschouwde periode) is hoger dan 18°C EN de gemiddelde maximumtemperatuur (in de beschouwde periode) is hoger dan 30°C

Niveau 2

Dit niveau is geldig zodra aan meteorologische voorwaarden EN/OF aan ozoncriteria wordt voldaan (het is dus niet nodig dat aan de twee criteria tegelijkertijd is voldaan). Dit niveau wordt bereikt wanneer, op basis van meteorologische voorspellingen, gedurende een periode van drie opeenvolgende dagen aan de volgende criteria is voldaan:

- de gemiddelde minimumtemperatuur (over de 3 beschouwde dagen) is hoger dan 18°C EN de gemiddelde maximumtemperatuur (over de 3 beschouwde dagen) is hoger dan 30°C

OF/EN

- Er werd de vorige dag, op minstens één ozonmeetplaats, een uurgemiddelde ozonconcentratie gemeten hoger dan 240 µg/m3 (EU-alarmdrempel) EN er wordt voor de huidige dag, op minstens één ozonmeetplaats, een uurgemiddelde ozonconcentratie voorspeld hoger dan 180 µg/m3 (EU-informatiedrempel).

3. De alarmfase

- de gemiddelde minimumtemperatuur (over de 3 beschouwde dagen) is hoger dan 18°C EN de gemiddelde maximumtemperatuur (over de 3 beschouwde dagen) is hoger dan 30°C

EN

- Er werd de vorige dag, op minstens één ozonmeetplaats, een uurgemiddelde ozonconcentratie gemeten hoger dan 240 µg/m3 (EU-alarmdrempel) EN er wordt voor de huidige dag, op minstens één ozonmeetplaats, een uurgemiddelde ozonconcentratie voorspeld hoger dan 240 µg/m3 (EU-alarmdrempel).

EN

- De reeds genomen maatregelen moeten worden geïntensifieerd.

BRON: Coördinatieprotocol voor de uitvoering van het "ozon- en hitteplan" tussen het Vlaamse, Waalse en Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en IRCEL.

Navigatie